Hans Christoffel

Rothenbrunnen ( Zwitserland ) 13 september 1865 - Antwerpen 3 april 1962

 Vader Johann Christoffel Zwitsers van Nederlandsche afkomst, moeder Katrina Battaglia van Italiaanse afkomst.

Getrouwd Antwerpen 29-4-1909 met Adolphina Anna Maria Martha van Rijswijck (een dochter van Jan van Rijswijck Burgemeester van Antwerpen ), geb. Lier (B) 4-7-1881, overleden Antwerpen 9-5-1960.

1885

Als gewoon soldaat bij het Nederlandsch Indische leger.

1886- 1898

Atjeh campagne onder van Heutsz.

1901   

Militaire Willemsorde in de rang van onderluitenant en het zelfde jaar eervol vermeld.

1902    

Zelfstandig commando bij de Marechaussee met opdracht : de van Heutsz-tactiek van het opjagen der bendehoofden onvermoeid door te zetten.

1903

Bij besluit benoemd tot 2de luitenant ( Als beloning voor het opnieuw bewijzen geven van buitengewone moed, beleid en trouw, energie en uitstekende plichtsbetrachting.

1904  

Ridder Militaire Willemsorde 3de klasse. In dat jaar vijf maal verwond: lanssteek, klewanghouw, kogels: niettemin geen dienst gestaakt.

1905

Na zijn Borneo-expeditie buitengewoon bevorderd tot 1ste luitenant, als beloning voor zijn uitstekende militaire daden en militaire talenten. Bij toespraak op de verjaardag door gouverneur-generaal van Heutsz openlijk gehuldigd als "de energieke luitenant Christoffel.

1906

Op 14 Juli, feitelijk nog voor de termijn van zijn welverdiend verlof van 1 jaar is verstreken , zal de 1ste luit met stoomschip `Koning Willem II’ naar Oost-Indië terugkeren. Generaal Van Heutsz heeft hem persoonlijk gevraagd spoedig terug te keren.

1906

 Eervolle opdracht om de vorst van Goa op te sporen (Zuid-Celebes).

1907

April kapitein Christoffel kreeg de opdracht de geheimzinnige priestervorst Singamaharadja , die naar men vermoedde zich nabij het Toba-meer aan Sumatra's oostkust schuil hield op te sporen.

1907   

Bevorderd tot kapitein.

1909   

Naar Zwitserland ivm ernstige malaria.

1910

Eervol ontslag op verzoek.

Overzicht van zijn onderscheidingen:

 

Daarnaast drie keer buitengewoon gepromoveerd.

Hieronder een foto van zijn eresabel op het moment van uitreiking. Tegenwoordig bevindt deze zich in de collectie van Museum Bronbeek.

Wat achtergrond bij een aantal van de hierboven genoemde krijgsverrichtingen

Atjeh 1905; in de jaren na 1905 ontstond in veel koloniën "onrust" en dus ook "weer" in Atjeh. Zentgraaff:

“Intusschen had men te Koetaradja en Batavia begrepen dat, als niet onmiddellijk werd ingegrepen, het heele pacificatie-werk gevaar liep. Vooral in Lho Soekon, Keureutoë en Pasé was het noodig dat de situatie verbeterde, en het geloof der bevolking in onze macht weer werd hersteld.

Toen besloot men, voor dit werk eene aparte colonne te formeeren. Zij zou bestaan uit het beste materiaal dat men kon vinden; de commandant zou iemand zijn, hard en ongenadig als een rots, en hij zou eene vrijwel onbeperkte volmacht krijgen.

Hij zou, ten koste van wat dan ook, de orde in die streken hebben te herstellen, en hij zou dit doen met uiterste gestrengheid.

Als commandant werd Christoffel aangewezen, en hij mocht zelf zijn colonne samenstellen. Het ware niet tactisch geweest met dit werk de gewone marechaussee's te belasten, en bovendien zouden verscheidene divisie-commandanten - Scheepens bijv. - er niet voor te vinden zijn geweest. Die wilden wel vechten, desnoods dag aan dag, maar het werk van den scherprechter lag hun niet.

Christoffel ging naar Java, waar vooral in het groote garnizoen Tjimahi zeer veel oudere maréchaussée's dienden, mannen van groote ervaring in het Atjehwerk en die een poosje in een gezond vredesgarnizoen moesten blijven, doch er nu weer schoon genoeg van hadden en naar de rimboe terugverlangden. Zoo pikte hij er ook de beste brigadecommandanten uit, die den buik vol hadden van den dienst in een vredesgarnizoen met allerlei malligheden: zooveel malen daags appèl, en theorie, waarvan zij minder wisten dan een milicien-korporaal (zoowat het ergste dat er is) omdat zij de practijk zoo goed verstonden.

Zij waren gelukkig als God in Frankrijk -zeien ze - dat ze weer naar "buiten" konden, waar geen "schermen met het geweer" bestond, en alleen de klewang zijn verstandig werk deed.

Op deze wijze stelde Christoffel zijn colonne samen, en hij gaf ze, naast de bloedvingers op den kraag van hun Jas, die alle maréchaussée's hadden, nog een apart distinctief: een rooden zakdoek welken zij zich om den hals knoopten, ten teeken dat zij een ziertje bloederiger zouden optreden dan de "maréchaussée-biasa", de gewone.

Het werd eene divisie van twaalf brigades, en zij kreeg den bijnaam van "colonne matjan": de tijger-colonne. De vijand wist wat hem te wachten stond, hij kende den naam Christoffel, en bij het vervoer der colonne per tram naar haar bivak Panton Leubeuë, werden vóór en achter haar de rails opgebroken. Het bracht zelfs geen uitstel van executie.

Zooveel mogelijk bestond de voorste sectie der "colonne matjan" uit "boedjangs": soldaten die vrijgezel waren en dus niets achter zich hadden, waarover zij zich het hoofd hoefden te breken, en wanneer er een enkele maal eens een ander tusschen liep, zei de "baas": "Kapitein, geef me in deze sectie alsjeblieft een boedjang; die verlangt niet om de haverklap naar huis."

Het is niet goed veel te vertellen van het werk der "colonne matjan"; zij had tot taak, tot elken prijs de situatie meester te worden, en het verzet te breken, en zij deed dit, systematisch en met uiterste hardheid, zooals van iemand als Christoffel te verwachten was. Er werd voortdurend parate executie gehouden, en de kwaadwilligen vielen bij dozijnen.

Het werd sommigen brigadecommandanten te erg; zij vroegen terugplaatsing bij de gewone marechaussee, zooals de toch nogal rauwe "baas" Scriwanek. En als men één der anderen, nu al oud en rustig, over die dagen spreekt, heft hij afwerend de handen even op; hij wil er niets meer van zeggen. Men moet bij dit alles bedenken dat de toestand zeer precair was; het ging erom, haastig en scherp in te grijpen vóór de heele streek in opstand kwam, en de resultaten van tien jaren vechten verloren gingen. Men moet zulke dingen beoordeelen in het kader van hun tijd.

De schoonmaak begon in de vlakte, en zij werd summier en grondig uitgevoerd; spoedig verloor de krijg zijne populariteit bij een groot deel der bevolking, met schrik geslagen door de actie der "colonne matjan". De hardnekkigen, en zij die wat extra's op hun geweten hadden, verdwenen naar het gebergte, waar de benden der oelama's , van Pang Nanggroë en anderen, hen opvingen.
Daarna had de wisseling in het Atjeh-commando plaats; Van Daalen werd vervangen door Swart, en ook als gevolg van het optreden der "colonne matjan" waren zulke scherpe maatregelen nu niet meer noodig. Christoffel ging heen en de colonne kwam onder Van der Vlerk; zij nam geleidelijk het karakter aan eener gewone maréchaussée-divisie, doch ondanks de verdwijning der roode halsdoeken wekte zij nog lang bijzondere vrees.  “

Ook op andere eilanden werd gebruik gemaakt van Christoffel.
Bijvoorbeeld bij de pacificatie van Borneo 1905 : Du Croo:

“....Christoffel werd met 3 brigades marechaussee van Atjeh naar Borneo ontboden.
Den 1sten Januari 1905 kwam hij te Poeroektjaoe aan en nam daar het bestuur over; reeds op 24 Januari overviel hij den sultan op een ladang aan de Menawing....en Goesti Mohamad Seman sneuvelde met twee van zijn volgelingen.
Christoffel zette door en korten tijd later was de beurt aan Antoeng Koewing die op 1 Juli met eenige hoofden de veilige "melding" koos. Dit had weer tot gevolg dat ook vele anderen zich meldden, zij werden allen naar Benkoelen verbannen terwijl Antoeng Koewing te Batavia overleed.
En dus betrekkelijk spoedig kon de colonne Christoffel weer naar Atjeh worden teruggezonden.  “

en de pacificatie van Celebes 1906, Du Croo:

 “Inmiddels was de harde, vasthoudende, bekwame spoorzoeker en woudlooper Christoffel doende zijn opdracht te vervullen: zoek en vind den onvindbaren radja van Goa.
Al zoekende doorkruiste Christoffel de afdeeling Pare Pare, hoofdzakelijk in het Sawito'sche, en kreeg daar aanraking met La Sinrang - en La Sinrang, de groote, ondervond dadelijk dat de Kompeni óók over soldaten beschikte, wier bivaks niet tot een overval noodden, die als duivels liepen en als driedubbele duivels vochten. Dus nam La Sinrang de moede beenen en borg zich in Letta, Redjang en Oeioe Sadang.
Dat was in November - Christoffel had eindelijk het spoor van den radja van Goa ontdekt: in het onbekende, uitgestrekte en vijandige gebied had hij de speld weer in den hooiberg gevonden. Dat beteekende het einde voor den vorst; op 21 December werd hij met zijn klein troepje aanhangers overvallen; twee zoons en eenige andere familieleden sneuvelden, zijn broer Bonto Nompo werd gewond, gevangen genomen, doch de vorst ontkwam.
Maar Christoffel zat op het spoor - en bleef erop, met ijzeren energie en ijzeren doorzettingsvermogen, in het zwaar geaccidenteerde bergland, zonder rust, zonder eten (een handjevol rauwe maïs was het eenigste, wat overbleef), zonder acht te slaan op vermoeide of achterblijvende marechaussee.
Slechts een paar marechaussee konden dit duivelsche tempo volhouden - en met die paar man stond Christoffel eindelijk op den avond van 24 December tegenover een inheemsche woning... de laatste schuilplaats.
De in het donker uitgevoerde overval gelukte, dat wil zeggen: de Goden waren weer met de onzen. Want die laatste schuilplaats grensde aan een diep ravijn, dat men in de duisternis niet onderkend had: de vorst stortte in den afgrond, wonder boven wonder bleef dit lot zijn achtervolgers bespaard. Dat was de beroemde overval van den radja van Goa op 24 December 1906 –“

De Speurtocht naar Singamangaraja op Sumatra 1907

April – Mei 1907
In april 1907 stuurt gouverneur-generaal Kapitein Chistoffel met vier brigades marechaussee naar de hoofdstad Taroetoeng in Batakaland. Zijn opdracht is het opsporen van Si Singamangaraja en deze dood of levend in handen te krijgen. Si Singamangaraja en zijn gevolg, waaronder zijn moeder, vrouwen en kinderen worden rusteloos voortgedreven. Steeds probeert Christoffel de vorst in zijn schuilplaats te overrompelen.
De resident van Tapanoeli L.C. Welsink houdt in een reeks telegrammen de gouverneur-generaal op de hoogte van de voortgang van Christoffels expeditie.
Christoffel seint:
Op 18mei jl schuilplaats priestervorst overvallen aan de Pantjinaren rivier (linkerzijrivier van de Tjenandang) ten zuiden van Soekaning (Kelasser) door lieden die rijst fourageerden  komst der patrouille ontijdig verraden: Gevangen genomen de moeder, de voornaamste vrouw, moeder van Soetan Negari afkomstig van Segala (en de twee dochters) een slaaf en vier slavinnen van de priestervorst; gesneuveld een Gajoer; buit een achterlader en een voorlader benevens preciosa en goudwerken voor ongeveer f 2000 wij geen verliezen.

17 juni 1907
Na een achtervolging van twintig uur door onherbergzaam terrein, nadert de brigade-Christoffel Si Singamangaraja en zijn mannen op gehoorafstand. De spits van de colonne hoort het geluid van houtkappen. De troep wordt in drie afdelingen van 10 man verdeeld, die in hoefijzervorm vooruit gaan. Nauwelijks 30 meter verder wordt de marechausseebrigade ontdekt door de voortvluchtigen onder de uitroep ‘compenie!’. Een ravijn stuit de vlucht van de Batakvorst. In een vuurgevecht sneuvelen de oudste zonen van de Singamangaraja. Si Singamangaraja zelf wordt in het ravijn doodgeschoten door een Ambonese marechaussee, waarschijnlijk omdat hij weigerde zijn wapens af te geven. Het is 17 juni 1907.
De lijken van de laatste Batakkoning en diens zonen worden de volgende dagen naar Balige vervoerd. Op de marktplaats worden ze tentoongesteld om de bevolking ervan te overtuigen dat de Singamangaraja dood is.

Flores 1907/1908:
“In juni 1905 werd J.F.A. van Rooij de nieuwe resident van Timor en Onderhorigheden. Ook hij had van het gouvernement nieuwe richtlijnen gekregen over hoe dit gewest moest worden bestuurd. Hij kreeg de opdracht overal in de residentie het Nederlandse gezag krachtig te vestigen. Hiervoor had hij van de gouverneur-generaal de bevoegdheid gekregen zelfstandig, naar gelang van behoefte, over de militaire macht in zijn gewest te beschikken. Daarnaast waren er nieuwe richtlijnen voor de verhouding tussen het bestuur en de zelfbesturende landschappen.  De financiële situatie van de zelfbesturende landschappen moest periodiek worden gecontroleerd en de hoofden moesten voor de verbetering en uitbreiding van het wegennet zorgen. Tevens had hij de opdracht de mijnbouwrechten op Flores te regelen.
De bestuursbemoeienissen hadden zich tot dusver niet verder gestrekt dan de standplaatsen van de bestuursambtenaren. Van Rooij bracht hierin verandering. Hij moedigde ambtenaren aan meer te gaan reizen. Posthouders, die weigerden dienstreizen te maken, werden ontslagen.
In 1906 werd er op Flores voor het eerst een controleur van het Binnenlands Bestuur aangesteld. Tegelijkertijd werd Flores her-ingedeeld in twee afdelingen, Oost- en West-Flores. Oost-Flores werd onder het gezag van de nieuw aangestelde controleur, de heer Couvreur, geplaatst.   Hij moest voor een directer bestuursinvloed zorgen ter voorbereiding van andere maatregelen die tot doel hadden Flores produktief te maken voor de schatkist.
In opdracht van gouverneur-generaal Van Heutsz had kapitein Colijn in 1906, de residentie Timor en Onderhorigheden, waaronder Flores, bezocht. Met resident Van Rooij had hij afspraken gemaakt over de te nemen administratieve maatregelen en de toekomstige militaire acties voor de pacificatie van Flores. Nadat de binnenlanden van Timor en Soemba in 1905 en 1906 waren gepacificeerd, was nu Flores aan de beurt.


Controleur Couvreur was ondertussen druk doende het binnenland van Flores in kaart te brengen. Zijn indruk van Flores was overwegend negatief.

Hij had op zijn reizen door het binnenland weinig hulp van de inheemse bevolking gekregen en sommige kampongs hadden hem 'onhoffelijk' ontvangen. Tot overmaat van ramp werd het hem in Tongga verhinderd verder te reizen.

Voordat hij daar iets aan kon doen kwam het bericht dat Endeh in de nacht van 3 op 4 juni 1907 was overvallen.  Hoewel de resident voor midden-juni al een militaire onderneming op Flores had gepland kwam deze overval voor het gouvernement niet ongelegen. De overval was mooie aanleiding om het onrustige Flores voor eens en voor altijd te pacificeren.

Daarom stelde het gouvernement terstond een compagnie Marechaussees ter beschikking onder de vermaarde vecht-kapitein Christoffel.  Voordat hij aankwam waren, zes dagen na de overval, op 14 juli 1907, de resident en dertig gewapende politie dienaren en een detachement soldaten onder leiding van luitenant De Vries al ter plaatse. Zij herstelden de rust in de omgeving van Endeh. Daarna werd er gewacht op versterking uit Java om de rest van het eiland te pacificeren. Op 9 augustus arriveerde kapitein Christoffel met zijn compagnie marechaussees te Endeh. Hij had de opdracht gekregen overal op Flores het verzet te breken en de hoofden van het eiland de Korte Verklaring te laten tekenen.
Volgens de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië: '...vloog Christoffel tussen 9 augustus 1907 en 1 maart 1908 als een wervelwind het weinig bekende binnenland van Flores door, van Oost naar West, van Noord naar Zuid, alles nederwerpend wat zich verzette, ook in de streek waar de tin-expeditie van 1890 échec had geleden.'

Het resultaat van zijn tocht was duizenden doden onder de inheemse bevolking van Flores en ettelijke verbrande kampongs. Op 1 maart 1908 gaf hij, omdat zijn diensten weer te Atjeh nodig waren, het commando over aan kapitein P.J. Struijt. Christoffel liet meer een getuchtigd dan een gepacificeerd eiland achter waar het nog lang onrustig bleef.

 

In 1917 publiceerde het geïllustreerde weekblad Buiten een stukje door een oud-militair die deelnam aan de 'pacificatie' van Flores onder kapitein Christoffel in 1907 en 1908.
 'Ik was daar groepscommandant en ging zelfstandig op patrouille. We hadden daar marechaussee-brigades, dus Javanen en Ambonnezen door elkaar. Ik had last gekregen verschillende kampongs in een bepaald gebied te bezoeken. Om de kerels aan te moedigen werd voor elk afgeslagen hoofd een rijksdaalder betaald. (...) Een van mijn Ambonnezen, Lewakabessie geheten, was er een kraan in...
Hij had een paar Inlanders voor zich gezien, was hen achterna gehold, het pad afspringend, en had hen zien verdwijnen in een nauwe rotsspleet. Deze gaf toegang tot een smal, maar vrij diep hol, waar zich 52 Inlanders verborgen hielden. Ogenblikkelijk had onze "dapperen" het vuur geopend en natuurlijk was elk schot raak! Zo nu en dan vloog er een speer op hem af, maar deze waren gemakkelijk te ontwijken. Ik kwam te laat om nog enige vrouwen en kinderen te kunnen redden. Enige dagen later was er groot feest in 't bivak: Lewakabessie had 52 ringgits (rijksdaalders) uitbetaald gekregen en hem was de bintang (eremedaille) in uitzicht gesteld.' 

Een biografie van Hans Christoffel, verschenen in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant op 10 Augustus 1935:

“KAPITEIN HANS CHRISTOFFEL 70 JAAR

Legendarische figuur in de Indische krijgsgeschiedenis

Noem de naam kapitein Christoffel en de ogen van alle oud-gedienden van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger schitteren.

Kom in Atjeh, in de binnenlanden van Borneo, Celebes, op Lombok, op Bali, ja overal in Nederlands-Indië waar einde van de vorige en begin van deze eeuw schitterende wapenfeiten door onze troepen zijn bedreven en zeg daar "kapitein Ketjil" en ieder inlander weet te vertellen van de kleine man met de energieke gelaatstrekken, de onvermoeibare, die met weergaloos doorzettingsvermogen het Nederlandse gezag daar gevestigd heeft.
De jongeren hebben hem daar natuurlijk niet gekend, maar zijn naam is men niet vergeten en de ver­halen van zijn wonderlijke daden leven voort. Hij is een legendarische figuur in de Oost en wanneer oude Atjehers verhalen van de prang sabil (heilige oorlog) tegen de "kompenie", dan worden ook herinneringen opgehaald aan kapitein Christoffel, de gevreesde jager op verzets­lieden, die met zijn dappere marechaussee het land doorkruiste en de vijand met diens eigen taktiek tot onderwerping dwong.

Uitblinker onder duizenden

In de dagen van Christoffel werden wondere staaltjes van dapperheid onder de moeilijkste omstan­digheden, ja onder ontbering, verricht. De pacificatie van de buitenbezittingen, het grote werk van mannen als van Heutsz, van Daalen, Swart, Colijn, om maar enkele van de bekendste namen te noemen, was in volle gang. Het leven van de soldaat te velde was zwaar, maar wat aan plichts­betrachting en opoffering getoond werd, wekte de bewondering van vriend en vijand, werd in grote spanning en verbazing gevolgd in Nederland en in het buitenland.

 

Wanneer heden ten dage in andere koloniale mogendheden Nederland steeds weer ten voorbeeld gesteld wordt als het land, dat het onnavolgbaar doorzettingsvermogen zijn koloniaal bezit, dat - in vergelijking met de grootte van het moederland - van enorme afmetingen is, op inten­sieve wijze in cultuur gebracht heeft, wanneer met bewondering wordt gewezen op ons prachtig georganiseerd bestuursstelsel en wanneer in gans Nederlands-Indië, ondanks de moeilijke tijds­omstandigheden, volledige orde en rust heersen, dan weten wij, dat wij dat te danken hebben aan die vele duizenden eenvoudige kerels, die één van zin, moeilijkheden en ontberingen niet tellende, ons gezag gevestigd hebben in de landen om de evenaar.

 

En onder die duizenden was Hans Christoffel de uitblinker. Hij was geen strateeg in de militaire betekenis van het woord. Hij was geen veldheer als van Heutsz, als van Daalen en als Swart. Hij was troepenofficier in de ware betekenis van het woord, gehard in de praktijk, voortgekomen uit de marechaussee, die voor hem door het vuur gingen. Zijn loopbaan heeft hij gemaakt, niet op de Militaire Academie of op de Hogere Krijgsschool, maar in de rimboe, waarmee hij zo vertrouwd was als een Nederlandse burgerman met zijn achtertuintje!

En toen eenmaal de tijd gekomen was, dat hij 's Konings rok moest uittrekken en hij in Nederland een welverdiende rust hoopte te vinden, toen bekroop hem heimwee naar die stille, sombere, ge­heimvolle wouden, waar hij zijn carrière - en welk een carrière - had opgebouwd. Geen macht ter wereld kon hem tegenhouden en met een zucht van verlichting ging hij het zeegat weer uit. Zijn hart popelde toen hij de kusten van de Oost-Indische Archipel zag opduiken en als Concessiejager heeft hij zijn oude beroep weer opgevat, tot eindelijk zijn gevorderde leeftijd hem dwong de koelere stranden, thans voorgoed, weer op te zoeken.

Soldaat in hart en nieren

Op vrijdag 13 september a.s. hoopt de gepensioneerd kapitein H. Christoffel zijn 70ste verjaardag te vieren en daarom mogen wij het een en ander uit zijn roemruchte loopbaan verhalen. Het kan slechts een overzicht in vogelvlucht zijn, want wanneer de geschiedenis van de daden van Christoffel enigszins nauwkeurig te boek gesteld moesten worden, zou het een lijvig boekwerk vormen en wellicht zou het dan nog niet volledig zijn. "Kapitein Ketjil" zelf zou de stof daar niet voor leveren, want hoe hoge onderscheidingen hem ook ten deel vielen, hij bleef de eenvoud in per­soon, wars van alle eerbetoon, met slechts één overtuiging: niet meer dan zijn plicht te hebben gedaan.
En die eenvoud tekende deze dappere soldaat, diezelfde eenvoud was het, die hem, toen zijn militaire loopbaan was volbracht, terugdreef naar de binnenlanden van Borneo, die hij verkoos boven het emotieloze bestaan van oud-officier.

In de dagen van zijn wapenfeiten ging zijn naam van mond tot mond en wanneer bekend werd, dat hij was overgeplaatst, verdrong men zich op de KPM schepen om de veroveraar van de rimboe te zien. Maar hoe teleurgesteld was men! Men verwachtte een martiale verschijning in vol militair ornaat en men zag een welhaast bedeesd officier, gekleed in een sobere Atjeh jas, die zich zoveel mogelijk op de achtergrond hield en zich kennelijk verheugde, wanneer de reis ten einde was en hij zijn werk kon hervatten.

Maar niet lang daarna hoorde men weer van hem, wanneer hij nieuwe lauweren geoogst had, verzet had gebroken, dat jarenlang aan ons gezag had geknaagd, in verbazend korte tijd een bendeleider, een sultan, een radjah, of een ander hoofd, waarop maanden achtereen jacht was ge­maakt, had weten te vangen.

Christoffel en zijn marechaussee, het waren soldaten in hart en nieren en zij vormden een vastberaden, onverbrekelijke eenheid.

Waar anderen weken over deden verrichte hij in luttele dagen en het geheim van die prestaties was, dat hij de stelregel huldigde: "De weg van de soldaat is de rechte weg".

In Atjeh, op Borneo, op Celebes, overal bracht hij deze regel in praktijk. Hij bepaalde het doel en marcheerde er recht op af. Geen oerwoud, geen bandjirrende kali's geen gebergten konden hem daarvan terughouden. Geen gebaande wegen volgen, waar de vijand hem natuurlijk dagen te voren zou hebben opgemerkt, maar op het kompas, zich met een kapmes een weg banend, er op af, en dan, wanneer men het doel naderde, een bliksemsnelle aanval, die onder de tegenstander een panische schrik verwekte.
Spionnen, die de a.s. komst van "Kapitein Ketjil" moesten melden, waren nog dagenlang van de plaats verwijderd, wanneer de overrompe­ling geschiedde. Is het een wonder, dat men zich om de persoon van Christoffel legenden vormden?

Schitterende staat van dienst

Hans Christoffel werd op 13 september 1865 te Rothenbrunnen in Zwitserland geboren. Op zijn 20ste jaar vertrok hij naar Italië, daarna naar Duitsland en op 7 maart 1886 verbond hij zich bij het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk als soldaat bij het Indische Leger.

In tegenstelling met thans geschiedde de eerste militaire vorming in die tijd in Indië en zo gebeurde het, dat nog geen week na zijn engagement Christoffel aan boord van het s.s. "Drenthe" stapte, waarmede hij op 29 april 1886 te Batavia arriveerde.

De jonge Christoffel bleek een voorbeeldig militair en snel maakte hij promotie. In 1887 werd hij korporaal, een jaar later sierden hem de chevrons van fourier; in 1893 werd hij bevorderd tot sergeant; in 1896 tot adjudant-onderofficier en in 1897 bereikte hij de hoogste onderofficiersrang, toen hij werd benoemd tot onderluitenant. Waarlijk Christoffel zou reden hebben gehad tot tevredenheid, nu hij in elf jaar alle rangen beneden die van officier had doorlopen. Maar dat was hij niet, want zijn devies luidde: "Een slecht soldaat, die geen officier hoopt te worden". Het was in die dagen in Atjeh zeer roerig en Christoffel vond daar gelegenheid om van zijn zeer bijzondere eigenschappen te doen blijken.

Met grote moed, vast beleid en onwrikbare trouw kweet hij zich van de moeilijkste opdrachten en bij Kon. Besluit van 3 januari 1901 werd hij be­noemd tot Ridder 4e klasse in de Militaire Willemsorde. Bij K.B. van 23 oktober van dat jaar werd hij eervol vermeld en dan volgt op zijn staat van dienst de volgende, zeer zeldzame onder­scheiding:

Bij Koninklijk Besluit van 5 oktober 1903 benoemd tot 2e luitenant voor het opnieuw bewijs geven van buitengewone moed, beleid en trouw, energie en uitstekende plichtsbetrachting in Atjeh, op 24 juli en 1 september 1902 en gedurende het tijdvak van 30 oktober tot en met 30 december 1902.

Christoffel was dus opgenomen in het officierskorps, maar zijn loopbaan was ook daarmee niet afgelopen, integendeel, de zeer bijzondere onderscheiding, die hem ten deel gevallen was, prikkelde hem tot nieuwe daden van moed en plichtsbetrachting en op de Indische slagvelden bouwde hij zijn carrière steeds verder op.

Bij Kon. Besluit van 29 juli 1905 werd hij buitengewoon bevorderd tot le luitenant, "zulks als beloning voor zijn uitstekende militaire daden en zijne uit daden gebleken buitengewone mili­taire talenten met bepaling, dat hij ook in zijn nieuwe rang bij het korps marechaussee te voet in Atjeh en Onderhorigheden geplaatst en à la suite van zijn wapen gevoerd zal blijven".
En waaruit bestonden dan deze daden, die hem voor deze bevordering in aanmerking deden komen?

Bij Kon. Besluit van 15 februari 1904, zo vermeldt zijn staat van dienst, werd hij bevorderd tot Ridder der 3e klasse in de Militaire Willemsorde en dan wordt heel sober een opsomming ge­geven van de volgende feiten: Bij het nemen van de heuvel benting Gemoejang in Gajo Loeos lanssteek rechter bovenarm 18 maart 1904. Bij vermeestering van de versterking van de ver­sterkte gampong Badag (Gajo Loeos) schampschot donderbus rechter voorhoofdstreek 4 april 1904. Bij vermeestering der versterkte gampong Penosan (Gajo Loeos) klewanghouw rechterduim, 11 mei 1904. En zo gaat het door: klewanghouwen bij de verovering van Tampas, schotwonden bij de verovering van Koetoereh in de Alaslanden, enz.

Met ingang van 5 augustus werd hem een jaar verlof naar Europa verleend, maar nauwelijks in Indië terug, onderscheidde hij zich dermate, dat hij bij Kon. Besluit van 12 januari 1907 buiten­gewoon werd bevorderd tot kapitein "zulks als beloning voor zijne uitstekende militaire daden en zijne uit daden gebleken buitengewone militaire talenten".

Tevoren bij de wet van 7 juli 1906 was hij genaturaliseerd tot Nederlander. Bij Kon. Besluit van 5 december 1908 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw "als hebben­de zich onderscheiden bij de krijgsverrichtingen in het militair Commandement van Celebes, Menado en Timor, in hoofdzaak gedurende het tweede halfjaar 1907." Tot deze krijgsbedrijven be­hoorde de achtervolging van de Radjah van Goa, die jarenlang aan de hem gelegde lagen van onderscheidene patrouillecommandanten wist te ontsnappen. De Radjah, die aanvankelijk wist te ontsnappen, werd tijdens de achtervolging door Christoffel en zijn mannen, door een val in een ravijn gedood. Het verzet was daarmede definitief gebroken.

Zijn laatste onderscheiding, de begiftiging met de eresabel, geschiedde bij Kon. Besluit van 28 december 1908, "als hebbende zich onderscheiden bij de krijgsverrichtingen op Flores van 9 augustus 1907 tot ultimo februari 1908".

De wel zeer sobere staat van dienst eindigt met de volgende mutatie: "Met ingang van 2 november 1910 op verzoek wegens volbrachte diensttijd eervol ontslagen met behoud van recht op pensioen"! !!

Men behoeft er geen ogenblik aan te twijfelen, of op 13 september a.s. zullen zeer velen van de oude strijdmakkers van kapitein Christoffel hem een bewijs van onvergankelijke kameraadschap willen schenken en daarnaast zullen vele Nederlanders, die de schitterende daden van onze Indi­sche oud-strijders naar juiste waarde weten te schatten, in de persoon van "Kapitein Ketjil" hun erkentelijkheid en hoogachting tot uitdrukking brengen.

Wij wensen de onvervaarde rimboeveroveraar nog vele jaren van rust na een roemvolle en zeer verdienstelijke loopbaan.”

 

In 1940 zei Christoffel over zijn krijgsbedrijven: Dertig jaar geleden heb ik een gordijn laten vallen over alles wat er gebeurd was. Ik heb de rimboe van mij afgeschud, ben en nieuw leven begonnen, heb over het vroegere zo weinig mogelijk gedacht, heb rust gezocht en gevonden…

In een boek (Dit altijd alleen zijn) door de Hongaarse schrijver Szekely (hij was planter op Sumatra, zijn vrouw werd ook bekend met een aantal boeken over Sumatra waaronder het beroemde boek de Hongertocht over een verwaalde KNIL patrouille) wordt ook nog een hoofdstuk aan Christoffel besteed. Het gaat over de tijd dat hij als concessie-jager werkte dus na zijn militaire carrière. De tijd dat hij al rust zocht maar nog wel door Sumatra zwierf.

Index Contact